Contactez nous
Table des matières

Valse aantijging en laster bij zedenfeiten

De impact van een valse beschuldiging van zedenfeiten

Een beschuldiging van zedenfeiten heeft vaak een bijzonder ingrijpende impact op de persoon die ervan beschuldigd wordt. Zelfs wanneer de feiten niet bewezen of volledig onwaar blijken te zijn, blijft de maatschappelijke en persoonlijke schade enorm. De aard van een dergelijke beschuldiging raakt immers aan fundamentele aspecten van iemands reputatie, integriteit en sociale positie.

In tegenstelling tot vele andere aantijgingen gaan beschuldigingen van zedenfeiten vaak gepaard met onmiddellijke publieke veroordeling, ondanks het fundamentele principe van het vermoeden van onschuld. Het is dan ook bijzonder kwalijk wanneer iemand volledig onterecht en valselijk beschuldigd wordt van dergelijke feiten.

De wetgever tracht hieraan tegemoet te komen door de strafbaarstelling van laster en lasterlijke aangifte.

Wat is laster?

Laster betreft de situatie waarbij iemand kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt dat de eer kan krenken of die persoon aan de openbare verachting kan blootstellen, zonder dat het wettelijk bewijs hiervan wordt geleverd. Het moet gaan om de aantijging van een bepaald feit, wat impliceert dat dit precies omschreven is. Bovendien moet er een publiek karakter gekoppeld zijn aan de beschuldiging. Deze moet in het openbaar gedaan zijn.

Wat is lasterlijke aangifte?

Om strafbaar te zijn als lasterlijke aangifte is het niet vereist dat de aantijging in het openbaar plaatsvindt. Wel vereist de wet ook voor lasterlijke aangifte een kwaadwillig opzet. De verdachte moet het oogmerk hebben gehad om het slachtoffer te schaden. Het gaat hierbij om een spontane aangifte bij de overheid van een vals feit. Deze aangifte dient schriftelijk te gebeuren, maar het volstaat dat de politie akte neemt.

Wanneer is een valse beschuldiging werkelijk strafbaar?

Een belangrijke nuance hierbij is dat niet elke valse aangifte in de praktijk vervolgd zal worden. Het bewijs moet immers geleverd worden dat de aangifte met kwaadwillig opzet is gebeurd en werkelijk vals is. Dit is niet hetzelfde als een aangifte van feiten die vervolgens niet bewezen kunnen worden. Met andere woorden zal niet elk dossier dat geseponeerd is of waarin de beklaagde is vrijgesproken, aanleiding geven tot een kwalificatie van het misdrijf laster of lasterlijke aangifte.

Een praktijkvoorbeeld ter verduidelijking

Er zijn tal van situaties denkbaar waarbij de verdachte niet vervolgd of veroordeeld wordt, maar het slachtoffer zich ook niet schuldig heeft gemaakt aan lasterlijke aangifte.

Bijvoorbeeld: twee personen leren elkaar kennen tijdens een avondje uit. Nadat ze samen iets gedronken hebben, hebben ze seksuele betrekkingen. Tijdens de betrekkingen verzet het slachtoffer zich niet en geeft geen enkel signaal dat hij of zij de seksuele betrekkingen wil stoppen, noch dat hij of zij te dronken is om rechtsgeldig te kunnen toestemmen. Alles verloopt ogenschijnlijk met wederzijdse toestemming.

De dag nadien voelt het slachtoffer zich slecht over wat er is gebeurd. Het slachtoffer heeft spijt van de seksuele betrekkingen, ervaart schuldgevoelens en heeft achteraf het gevoel dit niet gewild te hebben. Vanuit die beleving stapt het slachtoffer naar de politie en doet aangifte van verkrachting.

Tijdens het onderzoek blijkt echter dat er onvoldoende aanwijzingen voorhanden zijn dat de seksuele handelingen zonder toestemming plaatsvonden. Het dossier wordt vervolgens geseponeerd omdat uit de beschikbare bewijselementen blijkt dat er juridisch wel degelijk sprake was van toestemming.

Dat betekent echter niet automatisch dat het vermeende slachtoffer zich schuldig heeft gemaakt aan een lasterlijke aangifte. Indien hij of zij er oprecht van overtuigd was dat diens grenzen werden overschreden en vanuit die subjectieve beleving aangifte deed, ontbreekt het kwaadwillig opzet dat noodzakelijk is om te kwalificeren als het misdrijf lasterlijke aangifte. Het feit dat het onderzoek niet leidt tot een vervolging of veroordeling, volstaat op zich niet om te besluiten dat de aangever bewust en kwaadwillig heeft gelogen.

Het spanningsveld tussen bescherming en aangiftebereidheid

Slachtoffers van zedenmisdrijven ervaren vaak een drempel om aangifte te doen van hetgeen hen overkomen is, onder meer doordat het doorgaans gaat om een woord-tegen-woordsituatie en het bewijs dus moeilijk geleverd kan worden. Wanneer slachtoffers riskeren om daarna zelf vervolgd te worden als verdachte van laster of lasterlijke aangifte, wordt de drempel om aangifte te doen nog groter.

Om dit te vermijden wordt er beleidsmatig zeer voorzichtig omgegaan met aangiftes voor laster en lasterlijke aangifte. De balans tussen enerzijds de bescherming van personen die valselijk beticht worden en hierdoor aanzienlijke schade lijden, en anderzijds het verhogen van de aangiftebereidheid voor slachtoffers van seksueel misbruik, is een moeilijke opgave.

Juridische bijstand bij beschuldigingen van zedenfeiten

De bijstand van een gespecialiseerd advocaat is aangewezen bij dergelijke complexe materies.

Heeft u hierover vragen of wordt u beschuldigd van zedenfeiten? Aarzel dan niet om ons te contacteren op 03/369.28.00 of info@bannister.be.

Lire aussi