Contactez nous
Table des matières

Opzettelijke brandstichting in België: straf, bewijs en gevolgen

Recente berichten over vermoedelijke brandstichting in Antwerpen tonen aan hoe snel een brand kan uitgroeien tot een ernstig strafonderzoek. Voor verdachten én slachtoffers kunnen de gevolgen bijzonder groot zijn.

Brandstichting is een ernstig misdrijf tegen eigendommen. Dat komt niet alleen door de materiele schade die het veroorzaakt, maar vooral door het gevaar dat het met zich meebrengt. In het Belgisch strafrecht wordt brandstichting beschouwd als een gevaarsdelict: vuur is moeilijk te controleren en kan snel gevolgen hebben die veel verder gaan dan wat de dader voor ogen had.

Wie verdacht wordt van brandstichting, komt doorgaans terecht in een zwaar strafdossier. Het onderzoek steunt vaak op technische vaststellingen, een verslag van de branddeskundige, getuigenverklaringen, camerabeelden en telefoniegegevens. In ernstige dossiers kan ook voorlopige hechtenis aan de orde zijn.

Voor slachtoffers zijn de gevolgen even ingrijpend: brandschade, rookschade, tijdelijke onbewoonbaarheid, morele schade en discussies met de verzekeraar.

Wat is brandstichting?

In dit artikel richten we ons op opzettelijke brandstichting. Daarvan is sprake wanneer iemand bewust brand veroorzaakt aan een goed dat in die omstandigheden niet bestemd was om in brand te worden gestoken. Dat kan gaan om een woning, appartement, handelszaak, voertuig, loods, garage of een ander goed.

Het goed hoeft niet volledig af te branden. Ook gedeeltelijke schade door vuur kan volstaan. Het misdrijf is in principe voltrokken zodra het vuur het goed aantast. Dat de brand nadien snel wordt geblust, verandert niet noodzakelijk iets aan het bestaan van het misdrijf.

Tot de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek wordt brandstichting geregeld in de artikelen 510 tot en met 518 Sw. De wet maakt een onderscheid op basis van de aard van het goed en het gevaar voor personen. Bepaalde omstandigheden kunnen de straf bovendien verzwaren. Brandstichting bij nacht geldt als een verzwarende omstandigheid en kan leiden tot een hogere straf.

Wanneer is er sprake van opzet?

Niet elke brand is opzettelijke brandstichting. Een technisch defect, een ongeval of loutere onvoorzichtigheid volstaat niet. Het openbaar ministerie moet bewijzen dat de verdachte wetens en willens heeft gehandeld.

Dat bewijs wordt zelden geleverd door één enkel element. De rechter kijkt naar het volledige dossier: de plaats van de brandhaard, de vaststellingen van de brandweer, het verslag van de branddeskundige, eventuele brandversnellende middelen, eerdere bedreigingen, mogelijke conflicten, verklaringen van getuigen en de verklaringen van de verdachte zelf.

In de praktijk draait de discussie vaak rond de vraag of de brand opzettelijk werd aangestoken dan wel per ongeluk is ontstaan. Een verdachte kan bijvoorbeeld aanvoeren dat er sprake was van een elektrische oorzaak, een sigaret, een kooktoestel of een andere onopzettelijke oorzaak. Net daarom is het verslag van de branddeskundige vaak van groot belang.

Welke straf riskeert men?

De straf hangt af van de concrete kwalificatie.

Onder het huidige Strafwetboek wordt brandstichting aan gebouwen, bouwwerken of motorvoertuigen, wanneer de dader moest vermoeden dat er personen aanwezig waren, bestraft met opsluiting van vijftien tot twintig jaar.

Bij brandstichting aan bepaalde onbewoonde onroerende goederen ligt de straf in principe lager: opsluiting van tien tot vijftien jaar.

Brandstichting aan roerende goederen die aan een ander toebehoren en die ernstig nadeel kan veroorzaken, wordt bestraft met een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete.

Het verschil tussen deze kwalificaties is bijzonder belangrijk. Brandstichting aan een leegstaand voorwerp wordt anders beoordeeld dan brandstichting aan een woning, een appartementsgebouw of een handelszaak waar op het moment van de brand personen aanwezig waren en waarbij de dader dat, gelet op de concrete omstandigheden, had moeten vermoeden.

Ook het tijdstip kan een rol spelen. Brandstichting bij nacht wordt bijzonder zwaar beoordeeld, omdat het risico voor personen en de moeilijkheid om tijdig in te grijpen dan vaak groter zijn.

Vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek wordt gewerkt met strafniveaus. Brandstichting waarbij de dader moest vermoeden dat zich op het moment van de brand één of meer personen bevonden, valt onder strafniveau 5. Ook onder het nieuwe Strafwetboek blijft het gevaar voor personen een doorslaggevend element.

Moest de dader vermoeden dat er mensen aanwezig waren?

Een van de belangrijkste vragen in brandstichtingsdossiers is of de verdachte moest vermoeden dat er mensen aanwezig waren op het moment van de brand.

De verdachte moet niet noodzakelijk zeker hebben geweten dat er iemand binnen was. Het volstaat dat hij dit, gelet op de concrete omstandigheden, had moeten vermoeden. De rechter beoordeelt dat aan de hand van alle feitelijke elementen.

Bij een woning of appartementsgebouw zal dat vermoeden sneller worden aangenomen dan bij een verlaten terrein of een leegstaand pand. Relevante elementen kunnen zijn: het tijdstip, de aard van het gebouw, brandend licht, aanwezige fietsen of voertuigen, geluiden, bewoners die gekend zijn of eerdere contacten met de betrokken personen.

Het gaat telkens om een feitelijke beoordeling.

Is aanwezigheid bij de feiten voldoende?

Niet iedereen die aanwezig is bij een brandstichting is automatisch dader of mededader.

Voor strafbare deelneming moet worden aangetoond dat iemand bewust heeft meegewerkt aan het misdrijf. Dat kan door de brand zelf te stichten, maar ook door noodzakelijke hulp te bieden en de uitvoering mee mogelijk te maken.

Louter aanwezig zijn volstaat dus niet. Het openbaar ministerie moet aantonen welke concrete rol iemand heeft gespeeld en of die persoon ook het vereiste opzet had.

In groepsdossiers is dat onderscheid belangrijk. Wie actief helpt bij de voorbereiding, uitvoering of vlucht, loopt een veel groter risico dan iemand van wie enkel de aanwezigheid wordt vastgesteld.

Welke bewijzen spelen een rol?

Brandstichtingsdossiers zijn vaak technische dossiers. De branddeskundige onderzoekt onder meer waar de brand is ontstaan, hoe het vuur zich heeft verspreid, of er elektrische gebreken waren, of er brandversnellende middelen werden gebruikt en of een accidentele oorzaak kan worden uitgesloten.

Daarnaast spelen ook andere bewijselementen een rol: camerabeelden, getuigenverklaringen, telefoniegegevens, gsm-uitlezingen, ANPR-gegevens, eerdere conflicten, berichtenverkeer en de eerste verklaringen van de verdachte.

Bij brandstichting wegen de eerste verklaringen vaak zwaar door. Een verklaring die later wijzigt of niet overeenstemt met de technische vaststellingen, kan tegen een verdachte worden gebruikt.

Slachtoffers verzamelen best zo snel mogelijk bewijs van hun schade. Denk aan foto’s, facturen, offertes, medische attesten, verslagen van de brandweer, verzekeringsdocumenten en bewijs van tijdelijke onbewoonbaarheid of inkomensverlies.

Waarom snel een advocaat inschakelen?

In brandstichtingsdossiers kunnen de eerste verklaringen, het branddeskundig verslag en de kwalificatie van de feiten doorslaggevend zijn.

Voor verdachten kan een advocaat nagaan of het opzet voldoende bewezen is, of een accidentele oorzaak voldoende werd onderzocht, of de juiste strafkwalificatie wordt toegepast en of er discussie mogelijk is over de aanwezigheid van personen of de concrete rol van de verdachte.

Voor slachtoffers kan een advocaat nagaan of een burgerlijke partijstelling aangewezen is en welke schadeposten kunnen worden gevorderd. Dat kan gaan om materiële schade, morele schade, gebruiksderving, tijdelijke huisvestingskosten, medische kosten of andere gevolgen van de brand.

Besluit

Brandstichting wordt in het strafrecht bijzonder ernstig genomen omdat vuur snel onbeheersbaar kan worden. Het gaat niet alleen om de schade, maar ook om het gevaar dat door de brand ontstaat.

De strafrechter beoordeelt onder meer het opzet, het risico voor personen, de aard van het goed, de rol van de verdachte en de technische vaststellingen.

Wie verdacht wordt van brandstichting, doet er goed aan snel juridisch advies in te winnen. De eerste verhoren en de deskundige vaststellingen kunnen een grote impact hebben op het verdere verloop van de zaak. Een advocaat kan bovendien nagaan of de juridische kwalificatie die het parket aan de feiten geeft, correct is en of er argumenten bestaan om die kwalificatie te betwisten of te herleiden.

Ook slachtoffers van brandstichting laten zich best tijdig bijstaan. Zij kunnen zich burgerlijke partij stellen en schadevergoeding vorderen voor materiële schade, morele schade en andere gevolgen van de brand.

Onze advocaten van het team strafrecht staan zowel verdachten als slachtoffers bij in strafzaken rond brandstichting, vanaf het eerste verhoor tot en met de procedure voor de rechtbank.

Lire aussi