Uitlevering van onderdanen niet altijd uit den boze

Onlangs werd in de media aangegeven dat, ondanks een uitleveringsverdrag tussen België en de Verenigde Arabische Emiraten, Dubai toch weigerde om Nordin El Hajjioui (aka Dikke Nordin van Den Dam) uit te leveren aan België. Die beslissing volgde grotendeels uit het feit dat het Belgisch verzoek tot uitlevering dateerde van voor de inwerkingtreding van het uitleveringsverdrag.

Maar er zijn natuurlijk ook nog andere redenen om een uitlevering te weigeren, waaronder het feit dat de persoon, wiens uitlevering gevraagd wordt, een onderdaan betreft van het land waar die persoon verblijft en dat bijgevolg moet beslissen over het al dan niet toestaan van de uitlevering. Zo is België bijvoorbeeld niet verplicht om Belgen uit te leveren aan een ander land.

Deze bijdrage heeft betrekking op die concrete weigeringsgrond en dan meer specifiek in het kader van uitleveringen tussen lidstaten van de Raad van Europa (lees: niet de EU maar haar grotere broer, inclusief landen zoals Rusland en Turkije).

Europees uitleveringsverdrag

Op het niveau van de Raad van Europa bestaat er al sinds 1957 een overkoepelend uitleveringsverdrag: het Europees verdrag betreffende uitlevering (niet geheel verwonderlijk).

Dat verdrag is van toepassing op alle leden van de EU, maar bijvoorbeeld ook op Turkije, Rusland, het Verenigd Koninkrijk,… In totaal gaat het om 47 landen.

Binnen de EU geldt weliswaar ook nog een andere, belangrijke norm die betrekking heeft op het Europees Aanhoudingsbevel, met als gevolg dat het verdrag van 1957 minder van belang is tussen EU-lidstaten. Tussen EU-lidstaten enerzijds en lidstaten van de Raad van Europa anderzijds of tussen niet-EU lidstaten van de Raad van Europa onderling, is het verdrag van 1957 dan weer wel de belangrijkste bron.

In artikel 6 van dat verdrag staat, meer specifiek met betrekking tot de uitlevering van onderdanen, het volgende te lezen:

Iedere Verdragsluitende Partij is bevoegd de uitlevering van haar onderdanen te weigeren.”

In het algemeen is een lidstaat dus vrij om te bepalen of ze een onderdaan al dan niet uitlevert. De praktijk wijst echter uit dat dit zelden gebeurt.

De weigerende lidstaat zal in zo’n geval vaker de vervolging of strafuitvoering (afhankelijk van waarvoor de uitlevering gevraagd wordt) voor haar eigen rekening nemen.

Onderdaan

Maar wat betekent dat nu, “een onderdaan”? Wel, hierover heeft het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (het gerechtshof van de Verenigde Naties) zich al in 1955 uitgesproken, in het zogenaamde Nottebohm-arrest.

Die zaak heeft betrekking op een zekere Friedrich Nottebohm, een Duitse onderdaan, die in 1905 naar Guatemala was getrokken om daar een onderneming op te starten. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1939 besloot de heer Nottebohm om de nationaliteit van Liechtenstein te bekomen. Hij betaalde enkele sommen en leverde enkele documenten aan (met als gevolg dat hij niet aan andere voorwaarden moest voldoen en zijn Duitse nationaliteit niet hoefde op te geven) en trok daarna, in 1940, terug naar Guatemala. Wanneer Guatemala in 1943 besloot Duitsland als vijand te bestempelen, werden alle Duitse onderdanen, waaronder de heer Nottebohm, opgesloten. Toen hij in 1946 terug vrijgelaten werd, merkte de heer Nottebohm op dat al zijn goederen geconfisqueerd waren door Guatemala, op basis van wetgeving die tijdens de Wereldoorlog afgekondigd was. Liechtenstein diende daarop namens de heer Nottebohm klacht in tegen Guatemala.

Echter, vooraleer het Internationaal Gerechtshof de eigenlijke argumenten omtrent een schending van het internationaal recht kon beoordelen, wierp Guatemala op dat de heer Nottebohm eigenlijk geen onderdaan was van Liechtenstein en dat Liechtenstein dus ook geen klacht had mogen indienen namens de heer Nottebohm.

Het Hof gaf Guatemala uiteindelijk gelijk:

Uit de feiten blijkt duidelijk … dat er geen band van aanhankelijkheid bestaat tussen Nottebohm en Liechtenstein en dat er daarentegen tussen hem en Guatemala een langdurige en nauwe band bestaat, dewelke door zijn naturalisatie geenszins is verzwakt. Deze naturalisatie berustte niet op een reële band met Liechtenstein en bracht geen enkele wijziging in het leven van de persoon aan wie zij werd verleend in uitzonderlijke omstandigheden… Zij miste de voor een zo belangrijke handeling vereiste echtheid… zij werd verleend zonder rekening te houden met het in de internationale betrekkingen gangbare begrip van nationaliteit. Het Liechtensteinse staatsburgerschap werd verleend om Nottebohm in staat te stellen zijn status van onderdaan van een oorlogvoerende staat in de plaats te stellen van die van onderdaan van een neutrale staat, met als enig doel aldus onder de bescherming van Liechtenstein te komen, doch niet om er te verknopen met de tradities, de belangen en de levenswijze van Liechtenstein, noch om de verplichtingen – met uitzondering van de fiscale verplichtingen – op zich te nemen en de rechten uit te oefenen die verbonden zijn aan de aldus verkregen status. Guatemala is derhalve niet verplicht een in dergelijke omstandigheden toegekende nationaliteit te erkennen.”

Met andere woorden oordeelde het Hof hier dat er een authentieke band dient te bestaan tussen het land en de persoon die de nationaliteit van dat land toegewezen krijgt. 

Relevantie van het Nottebohm-arrest doorheen de jaren

Het is echter zo dat het arrest hierboven in de jaren nadien op zeer veel kritiek onthaald werd. Het arrest zou op geen enkele wijze de internationaal gangbare manier van redeneren vertegenwoordigen. Zo besloot ook het Hof van Justitie van de EU nog in 1990, in de Micheletti-zaak.

Gelet op de enorme hoeveelheid kritiek verdween het Nottebohm-arrest lange tijd naar de achtergrond, wanneer er gesproken werd over nationaliteit en onderdanen.

Totdat de Europese Commissie geconfronteerd werd met zogenaamde CIP’s, Citizenship by Investment Programmes.

Dat concept houdt kortgezegd in dat sommige EU-lidstaten, zoals Bulgarije, Cyprus en Malta, hun nationaliteit en dus ook de EU-nationaliteit (makkelijker) toekennen aan personen die een bepaalde, relatief hoge som betalen.

In Malta gaat het meer specifiek om een som van 650.000 EUR waarmee men makkelijker de Maltese en bijgevolg ook de Europese nationaliteit (en alle bijkomende voordelen) verwerft.

In een rapport van de Europese Commissie van 2019 betreffende burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de EU wordt dan ook gewaarschuwd dat CIP’s kunnen leiden tot mogelijke veiligheidslacunes als gevolg van het verlenen van burgerschap zonder voorafgaand verblijf, alsook tot risico’s op witwassen van geld, corruptie en belastingontduiking in verband met burgerschap of verblijf door investering én dat normaliter een authentieke band vereist is vooraleer nationaliteit toegekend kan worden.

Conclusie

Tientallen jaren na de uitspraak, krijgt het Nottebohm-arrest dus opeens weer meer bijval, met als gevolg dat ook weigeringen van uitleveringen wegens de nationaliteit van de opgeëiste persoon in een ander daglicht geplaatst worden.

Zo kennen landen zoals Turkije hun nationaliteit bijvoorbeeld toe aan personen die een woning van meer dan 250.000 USD aankopen of die een investering doen van 500.000 USD.

De vraag is echter of een persoon die de Turkse nationaliteit op zo’n wijze heeft verkregen, zich zal kunnen beroepen op diens nationaliteit om de uitlevering vanuit Turkije te betwisten, gezien mogelijks niet voldaan is aan de Nottebohm-vereiste van een authentieke band.

Hoe de benadering van dit onderwerp zich verder ontvouwt, zal weliswaar enkel de toekomst kunnen uitwijzen.

Wenst u hierover meer informatie, neem dan gerust contact met ons op via info@bannister.be of 03/369.28.00.